advocatenkantoor Halle

Via welk soort rekening kan u het best sparen voor uw (klein)kind?

Het is logisch dat ouders willen sparen voor hun kind(eren). Steeds vaker doen ze dat via een spaarrekening, die specifiek voor hun kind bestemd is. Er zijn juridische gevolgen verbonden aan het type spaarrekening dat de ouders openen. In dit artikel leggen we de voor- en nadelen van de verschillende systemen uit.

Een eerste systeem is een rekening op naam van het kind. In dit geval komt alles wat op de rekening staat onmiddellijk en volledig aan het kind toe, ook zolang het minderjarig is. Het nadeel van dit systeem is dat de ouders geen controle hebben over het geld: de ouders mogen het geld enkel beheren en gebruiken in functie van de behoeften en noden van het kind. Ze kunnen er dus geen andere transacties mee doen of vrij over beschikken. Voor het afhalen van relatief grote bedragen kan voorafgaand zelfs een machtiging van de vrederechter nodig zijn. Een ander nadeel is dat het geld vanaf de leeftijd van 18 jaar automatisch aan het kind toekomt. Niet alle ouders vinden dit even ideaal of wenselijk. Een belangrijk voordeel van dit systeem is dat er geen schenk- of erfbelasting betaald moet worden als één van de ouders overlijdt vooraleer het kind over de gelden kan beschikken.

Een tweede systeem is een rekening met een derdenbeding. Hierbij staat het geld op naam van de ouders, maar is het kind de begunstigde van de rekening.  Het voordeel van dit systeem is dat de ouders zelf kunnen beslissen wanneer het geld toekomt aan het kind, bijvoorbeeld bij het afstuderen of bij het bereiken van een bepaalde leeftijd. De ouders behouden m.a.w. de controle over het geld en kunnen er ook vrij over beschikken. Het nadeel van dit systeem is dat, als een ouder vroegtijdig zou sterven, de tegoeden op de rekening als een schenking beschouwd zullen worden. Daarop is dan een belasting van 3% te betalen.

Ook grootouders, tantes, nonkels, meters of peters die willen sparen voor het kind moeten de voor- en nadelen van beide systemen goed afwegen. Omdat elke situatie anders is, winnen zij hierover best advies in. Dat kan via een advocaat, notaris of de bankier. 

rawpixel-741658-unsplash.jpg

Wat betekent een "niet-concurrentiebeding" in uw arbeidsovereenkomst?

Een "niet-concurrentiebeding" is een clausule waarbij de werknemer zich ertoe verbindt om na zijn vertrek bij de werkgever geen soortgelijke activiteiten uit te oefenen, ongeacht of dat gebeurt door zelf een onderneming uit te baten of door in dienst te treden bij een concurrerende werkgever. De bedoeling van zo'n clausule is om te vermijden dat de werknemer de onderneming die hij heeft verlaten schade zou toebrengen. Deze tip gaat over een niet-concurrentiebeding ten aanzien van werknemers. Voor personen die op zelfstandige basis samenwerken, gelden er ietwat andere regels.

Opdat een clausule van niet-concurrentie afgedwongen kan worden, moeten er heel wat voorwaarden vervuld zijn:

1. De clausule moet schriftelijk opgemaakt zijn. Ze kan ofwel in de arbeidsovereenkomst zelf opgenomen zijn, ofwel in een addendum dat later opgesteld werd en aan de arbeidsovereenkomst werd toegevoegd.

2. De betrokken werknemer moet een voldoende hoog bruto-jaarloon hebben. De wetgever bepaalt elk jaar de grens vanaf wanneer op een geldige manier een niet-concurrentiebeding kan worden voorzien. Als de werknemer een lager bruto-jaarloon heeft dan deze wettelijke grens, dan kan er ten aanzien van hem geen niet-concurrentiebeding afgedwongen worden.

3. De clausule moet voldoende gedetailleerd zijn. Ze moet betrekking hebben op soortgelijke activiteiten als diegene die de werknemer uitvoert. Die activiteiten worden best duidelijk omschreven. De clausule moet ook geografisch beperkt zijn tot de plaatsen waar de werknemer effectief concurrentie kan aandoen aan de werkgever. 

4. De clausule is beperkt in de tijd. De clausule mag maximaal 12 maanden uitwerking hebben, te rekenen vanaf de dag waarop de samenwerking gestopt is. Het aantal jaren dat een werknemer in dienst is, speelt bij de bepaling van de tijdsduur van de clausule geen rol.

5. De clausule moet de betaling van een vergoeding voorzien voor het geval waarin de werkgever de clausule effectief wil afdwingen. Als de werknemer gebonden is door het niet-concurrentiebeding, dan zal hij gedurende die periode vergoed moeten worden. De wetgever voorziet een minimale vergoeding, waarop de werknemer in elk geval recht heeft.

Als één van de bovenstaande voorwaarden niet in orde is, dan zal het niet-concurrentiebeding niet van toepassing zijn. De werkgever zal het dan niet kunnen afdwingen ten aanzien van zijn medewerker.

khara-woods-456896-unsplash.jpg

Kan uw makelaar uw huis aan de vraagprijs verkopen zonder uw akkoord?

Het is gebruikelijk om bij de verkoop van een huis beroep te doen op een makelaar. De makelaar heeft ervaring met dergelijke verkopen, hij kent de wettelijke informatieverplichtingen goed en hij neemt tijdrovend werk uit handen van de verkoper, zoals bijvoorbeeld de bezoeken ter plaatse. Maar hoe ver mag de makelaar gaan als er een serieuze kandidaat-koper is? Kan de makelaar zonder uw uitdrukkelijk akkoord de woning verkopen als iemand de vraagprijs biedt? 

Neen. Het is niet omdat u een makelaar aanduidt voor de verkoop en met hem een vraagprijs overeenkomt, dat hij uw toestemming niet meer nodig heeft om de woning effectief te verkopen.

De makelaar is een tussenpersoon, wiens opdracht erin bestaat om de verkoper in contact te brengen met geschikte kandidaat-kopers. Zelfs als een kandidaat-koper de vraagprijs biedt, dan nòg zal de verkoper daar uitdrukkelijk akkoord mee moeten gaan opdat de woning verkocht kan worden. Voor de verkoper kunnen immers ook andere criteria dan de prijs een rol spelen. De vraagprijs bieden is dus geen garantie op een deal: de verkoper moet er nog steeds mee akkoord gaan.

De verkoper en de makelaar mogen andere afspraken maken en aan de makelaar bevoegdheden geven die verder gaan. Zij moeten hun afspraken dan wel op voorhand en schriftelijk vaststellen, zodat het helemaal duidelijk is wat de makelaar wel en niet mag doen. 

Het nieuwe erfrecht is er bijna! Hoe zit het met reeds gedane schenkingen? Belangrijke beslissing te nemen!

Op 1 september 2018 treedt het nieuwe erfrecht in werking. Bepaalde regels veranderen aanzienlijk. Vandaag wil ik de aandacht vestigen op de gevolgen van de nieuwe erfwet op reeds gedane schenkingen. 

Het nieuwe erfrecht brengt namelijk een serieuze wijziging m.b.t. de "inbreng". De "inbreng" is een juridische figuur die tot doel heeft om de gelijkheid tussen alle erfgenamen te garanderen, tenminste: voor zover de schenker dat zelf ook zo heeft gewild. Wanneer iemand een schenking doet, dan kan hij die "als voorschot op erfdeel" of "buiten erfdeel" doen. In het eerste geval moet de schenking mee verrekend worden in het erfdeel van de begiftigde, zodat elke erfgenaam uiteindelijk even veel krijgt. In het tweede geval krijgt de begiftigde meer dan de andere erfgenamen.

Maar welke waarde moet de erfgenaam exact "inbrengen"? Onder de nieuwe wet verandert de waardering van de inbreng. Tot hiertoe werd er een onderscheid gemaakt tussen de waardering van roerende en onroerende goederen. Onder de nieuwe wet is dat niet meer zo: de waarde van de schenking zal voor roerende én onroerende goederen vastgesteld worden op het moment van de schenking. Er wordt daarop nadien een indexatie toegepast tot aan de overlijdensdatum van de schenker. 

Niet voor iedereen is deze nieuwe regel een gewenst scenario. Als u wil vermijden dat op oude schenkingen, die kaderen in uw reeds gedane successieplanning, de nieuwe regels zouden toegepast worden, dan kan u nog tot 1 september 2019 een "verklaring van behoud" afleggen. U doet dat bij de notaris. In die verklaring maakt u een uitdrukkelijke keuze welke regels van toepassing zullen zijn op de reeds gedane schenkingen. Let wel: u moet voor alle schenkingen dezelfde regels kiezen. U kan dus niet à la carte een systeem kiezen. Voor alle schenkingen die vanaf 1 september 2018 gebeuren, is er geen keuze: zij vallen automatisch onder de nieuwe regels. 

casey-horner-758404-unsplash.jpg

Wanneer en hoe kan de verhuurder uw huurovereenkomst opzeggen?

Als u een woninghuurovereenkomst heeft voor een periode van drie jaar of korter, dan kan de verhuurder de overeenkomst in principe niet opzeggen vooraleer de afgesproken termijn afloopt. De verhuurder kan de huur wel op het einde van de voorziene termijn opzeggen. Hij moet daarbij een opzegtermijn van drie maanden respecteren. Als de verhuurder geen opzeg doet of als de opzeg te laat gebeurt, dan krijgt de huurovereenkomst automatisch een duurtijd van negen jaar.

Bij een woninghuurovereenkomst van negen jaar zijn de opties van de verhuurder om het contract op te zeggen beperkt.

De verhuurder kan de huur op elk moment opzeggen om de woning zelf te betrekken of om zijn naaste familie erin te laten wonen. De verhuurder moet hierbij een opzegtermijn van zes maanden respecteren. De verhuurder of zijn familie moeten de woning bovendien binnen het jaar na de opzegging bewonen. Zij moeten er minstens twee jaar onafgebroken blijven.

Aan het einde van de eerste en tweede driejarige periode, d.w.z. na het derde en zesde jaar, kan de verhuurder de overeenkomst opzeggen als hij grote renovatiewerken wil uitvoeren in de woning. Ook hierbij moet de verhuurder een opzegtermijn van zes maanden respecteren.

Als de verhuurder de huurovereenkomst om een andere reden wil opzeggen, dan kan hij dat enkel bij het einde van de eerste en tweede driejarige periode. De verhuurder moet ook in dat geval een opzegtermijn van zes maanden toestaan aan de huurder, die daarbovenop een extra vergoeding krijgt. De vergoeding bedraagt negen of zes maanden huur, afhankelijk of de huur bij het verstrijken van de eerste of de tweede driejarige periode opgezegd wordt. 

Als het einde van de negenjarige duurtijd in het vizier komt, dan kan de verhuurder de huurovereenkomst kosteloos opzeggen. Hij doet dat minstens zes maanden tevoren opdat de opzeg geldig zou zijn.

Meer weten? Contacteer The Legal Home!

julian-gentilezza-351164-unsplash.jpg